Dubbele backflips, frontflips, enorme tafels, dubbels en drops. Iedereen kent ze wel. Maar niet iedereen beheerst ze. En waarom zou je ze ook onder de knie willen krijgen als je toch alleen maar trails rijdt? En daar ligt nu net de kans. Heb je jezelf enkele basics van het springen eigen gemaakt, dan kun je de leukste lijnen rijden op je favoriete trail. Moeilijke obstakels worden opeens makkelijker én veiliger. Tijd om die wieltjes van de grond te krijgen. Control your airtime.

Tekst & foto’s: Irmo Keizer
How-to: Maichel Lemmens (Mikey’s Bike Adventures)

We raden je aan om je eerste ‘airtime sessie’ met flatpedals te doen. De reden is eenvoudig, veel bikers trekken met hun voeten de achterkant omhoog. Hierdoor leer je jezelf mogelijk een foute en bovendien potentieel gevaarlijke sprongtechniek aan. Kortom, flatpedals zullen even wennen zijn, maar het is de beste keus. Vergeet ook niet je zadel laag te zetten.

Een sprong is in te delen in een viertal fases; de aanloop, de afzet, de vlucht en de landing.

Fase 1: De aanloop
Je lijn kiezen is belangrijk. Loop eventueel de lijn die je wilt rijden. Kies een punt waar je je airtime in wilt zetten. Het helpt als je hierbij gebruik maakt van een natuurlijke schans, zoals een rots of wortel.
Om je snelheid voor de beoogde jump goed te kunnen inschatten raden we je aan om een paar keer je aanloop te nemen, zonder dat je daadwerkelijk springt. Kom aanrijden tot je beoogde lanceerpunt en stop daar. Je zult merken dat je op deze manier én je lijn goed leert te rijden én je je benodigde snelheid goed aanvoelt. Houd een vinger aan de rem, maar gebruik deze nog niet.

Fase 2: De afzet
De afzet is essentieel voor een goede sprong. Focus op je afzetpunt en vlak voor dit punt (ongeveer twee tot drie meter) ga je dieper zitten op je fiets. Ga niet naar achteren hangen, maar hou het zwaartepunt in het midden van je fiets. Bij de afzet strek je je armen en benen tegelijkertijd, als een skischansspringer. Na je afzet duw je je fiets licht naar voren en trek je benen omhoog. De achterkant van je fiets zal nu, zonder dat je aan je pedalen hoeft te ‘trekken’, goed van de grond komen. Je zult merken dat de afzet in feite een bunnyhop is.
Let op: Afhankelijk van het terrein, je snelheid en de steilte, zul je in meer- of mindere mate lift moeten maken. Dit is een kwestie van ervaring. Oefenen dus.

Fase 3: De vlucht
Tijdens de vlucht is het zaak je fiets stabiel te houden. Is je ene arm gestrekt en de andere niet, dan zal je fiets een andere lijn kiezen. We raden je aan om de vlucht ‘clean’ te houden. Je afzet is bepalend voor je vlucht, go with the flow.

Fase 4: De landing
Deze stap is afhankelijk van de steilheid van de landing. Algemeen gesteld is het het best om altijd met beide wielen tegelijk te landen. Op steiler terrein laat je je voorwiel eerder de grond raken. Je armen en benen dienen, ook als je een fully hebt, als schokdempers. Veer dus goed door, dit zorgt voor een rustige landing.

 

Tips
1. Leren springen doe je het best met flat pedals.Met klikpedalen heb je in het begin vaak de neigingom je achterkant omhoog te trekken. Dit kan voor hele, hele harde landingen zorgen.

2. Maak gebruik van natuurlijke elementen. Rotsen, wortels en bermen – ze kunnen allemaal dienst doen als schans.

3. Loop je lijnen, verken het terrein waar je wilt rijden. Bekijk verschillende lijnen en kies je lanceer-en landingspunt.

4. Gebruik die fully, Gebruik compressie om extra lift te creëren.

5. Begin klein…blijf altijd in je eigen veiligheidszone.